04:10
19 april 2021

Globalisering, consensusbestuur en de regio: naar een nieuwe maatschappelijke en bestuurlijke ordening?

Globalisering, consensusbestuur en de regio: naar een nieuwe maatschappelijke en bestuurlijke ordening?

Prof. dr. Caspar van den Berg, ‘Globalisering, consensusbestuur en de regio: naar een nieuwe maatschappelijke en bestuurlijke ordening?’, Bestuurskunde 2019-2, p. 7-14

Op 1 september 2018 is de Faculteit Campus Fryslân opgericht, de elfde faculteit van de Rijksuniversiteit Groningen, gevestigd in Leeuwarden. De faculteit richt zich op de multidisciplinaire bestudering van wetenschappelijke vraagstukken die samenhangen met maatschappelijke en economische thema’s die relevant zijn voor de regio, zoals de vitaliteit van het gebied, verduurzaming, meertaligheid en demografie.
Deze onderwerpen worden multidisciplinair benaderd, met de bestuurskunde als een van de belangrijke wetenschapsgebieden. Een van de leerstoelen heeft als leeropdracht Global and Local Governance. In lijn met de missie van de Campus Fryslân verbindt deze leeropdracht global challenges (globalisering, internationalisering) met local solutions (regionaal en lokaal bestuur). Op 26 oktober 2018 sprak ik voor deze leerstoel mijn oratie uit, getiteld ‘Van zuilen naar bubbels: de toekomst van consensusbestuur in een geglobaliseerde samenleving’.
In de oratie zette ik uiteen hoe en waarom consensusbestuur, een diepgeworteld wezenskenmerk van het Nederlands openbaar bestuur, steeds meer onder druk komt te staan naarmate de samenleving verder globaliseert, zo niet onmogelijk wordt gemaakt. Dat is een thema dat in het maatschappelijk discours alom aanwezig is, maar in de bestuurswetenschappen meer uitwerking behoeft. In deze bijdrage ga ik graag in op enkele elementen van mijn oratie.

Consensusbestuur
Om helder te krijgen wat consensusbestuur precies is, moeten we beginnen bij een van de fundamentele vragen van de democratische staatsvorm: wie bestuurt, en wie krijgt zijn zin als de belangen en wensen tussen groepen in de samenleving uiteenlopen? Eén antwoord op die vraag is: de meeste stemmen gelden, dat wil zeggen dat de groep die het grootste is, bestuurt, en als er onenigheid is, diezelfde grootste groep zijn zin moet krijgen. Een ander antwoord luidt: zoveel mogelijk stemmen gelden. Beide antwoorden spreken elkaar niet tegen, maar antwoord A ziet antwoord B als slechts een minimumvereiste, als een goed begin.
Landen die historisch gezien het eerste antwoord hebben gevolgd (bijvoorbeeld het VK, Frankrijk, Spanje, de VS, Australië), kennen in de regel politieke en bestuurlijke instituties die ervoor zorgen dat de macht toekomt aan een nipte meerderheid. In landen die historisch gezien voor het tweede antwoord zijn gegaan (bijvoorbeeld Nederland, Duitsland, België, Oostenrijk en Zweden), zijn regels en instituties erop gericht dat zoveel mogelijk partijen meepraten en de steun voor het overheidsbeleid zo breed mogelijk is. Naast het verschil in instituties is er ook een verschil in stijl en methode van besluitvorming: model A is exclusief, en gericht op competitie en strijd, terwijl model B uitgaat van inclusiviteit, onderhandelen en compromissen.
In zijn boek ‘The Politics of Accommodation’ (1968) is Arend Lijphart begonnen deze modellen systematisch te beschrijven. Model A noemde hij het meerderheidsmodel en model B noemde hij het consensusmodel. Het consensusmodel, in zijn meest zuivere vorm, kent volgens Lijphart tien institutionele kenmerken. Die zijn onder te verdelen in vijf kenmerken met betrekking tot de uitvoerende macht, en vijf met betrekking tot de staatsstructuur.

Lees verder via tijdschriften.boombestuurskunde.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *