Het is juni 1981. Ik begin als jonge, 21-jarige documentalist te werken op het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie. Het is een periode waarin de criminaliteit op alle fronten in Nederland een forse stijging laat zien. Het ontploft. In Nederland, en in de meeste geïndustrialiseerde landen. De Verenigde Staten zijn voorloper. De criminaliteit is daar op zijn hoogtepunt en een afschrikwekkend voorbeeld op wereldniveau. In diezelfde periode woon ik op de Vaillantlaan 489 in Den Haag, dat is in de Schilderswijk. Ik zie elke dag de verschijnselen van die ontploffende criminaliteitsgolf die Nederland dan treft. Vette graffiti, winkeldiefstal, geweld op straat, junks, dealers, rotzooi, bedreiging, hooligans, punks, skinheads, opengebroken auto’s, dealers en heroïnehoeren. Ik raak aan het straatbeeld gewend, het is niet normaal, maar het hoort er blijkbaar bij. Elke dag loop ik rond 07:00 uur vanuit mijn huis naar de Schedeldoekshaven, waar het ministerie van Justitie is gevestigd. Ik loop over de Hoefkade, de heroïnehoertjes spreken mij elke keer aan of ik mee wil gaan, nee ik ga naar mijn werk op het WODC. De afbraak, verloedering, condooms, spuiten en kapot glas zijn kenmerkend voor de omgeving waar ik loop. Je went eraan. Het criminaliteitsprobleem in Nederland is op dat moment niet onder controle. We weten niet echt hoe er mee om te gaan.
Lees verder via

Bezorgde burgers? Hoe rechts-extremisme structureel aanwezig is bij anti-azc-protestbeweging Defend Netherlands
Een nieuw wiel of een betere auto? 3 redenen en 3 randvoorwaarden voor samenwerken in toezicht
Raad van State ziet mogelijkheden voor wet tegen verheerlijking terrorisme, maar eist eerst duidelijkere afbakening



