03:04
31 oktober 2020

Decentraliseren en experimenteren – De ontwikkeling van sociaal beleid voor asielmigranten door gemeenten

Decentraliseren en experimenteren – De ontwikkeling van sociaal beleid voor asielmigranten door gemeenten

Dr. Rianne Dekker en Dr. Meike Bokhorst, ‘Decentraliseren en experimenteren’, Bestuurskunde 2020-3, p. 3-12

Decentralisatie en verbreding van het integratiebeleid

Op verschillende sociale beleidsterreinen spelen gemeenten een steeds belangrijkere rol. Dit geldt niet alleen voor taken die de afgelopen jaren gedecentraliseerd zijn zoals jeugdzorg, werk en inkomen en langdurige zorg. Ook op andere beleidsterreinen waar de problemen vooral op lokaal niveau tot uiting komen, nemen gemeenten de regie. Dit geldt niet in de laatste plaats voor het beleidsterrein van integratie en inburgering. De grotere verantwoordelijkheid van gemeenten op dit terrein wordt wel gezien als de vierde grote decentralisatie (Zapata-Barrero, Caponio & Scholten, 2017). De eigen verantwoordelijkheid van de inburgeraar die het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid sinds 2013 als uitgangspunt voor het beleid nam, heeft onvoldoende gewerkt (Algemene Rekenkamer, 2017). Met de nieuwe inburgeringswet krijgen gemeenten per 1 juli 2021 meer taken, bevoegdheden en middelen om de inburgering van nieuwkomers te verbeteren (TK 35483, nr. A). Een inburgeringstraject biedt inburgeringsplichtigen in de eerste twee jaar starthulp op het gebied van taal, onderwijs en werk. Inburgering is daarmee gericht op sociaaleconomische integratie van nieuwkomers.

Gemeenten krijgen te maken met bredere vraagstukken rond integratie en nemen ook zelf de regie op dit terrein. Zo zien we dat gemeenten vaak opstaan tegen uitzetting van uitgeprocedeerde asielzoekers uit hun gemeente, en dat ze voorzieningen bieden voor langdurig verblijvende vreemdelingen zonder verblijfsrecht die voorbij gaan aan de landelijke ‘bed, bad, brood’-norm (Staring, 2015). Gemeenten lopen rond deze kwesties aan tegen de grenzen van nationaal en Europees beleid. Oomen (2019) stelt dat we moeten toewerken naar een lokaal vreemdelingenrecht en -beleid. Gemeenten zouden volgens haar veel meer ruimte moeten krijgen om desgewenst een eigen uitnodigings-, toelatings- en uitzettingsbeleid te voeren. De maatregelen die gemeenten ontwikkelen, zijn vooruitstrevend en worden soms later nationaal overgenomen (Dekker, Emilsson, Krieger & Scholten, 2015). De ‘bed, bad, brood-norm’ is hier een voorbeeld van, maar ook de Rotterdamwet, die de vestiging van lage inkomens in reeds kwetsbare wijken uitsluit.

Als gevolg van immigratie krijgen gemeenten te maken met toenemende diversiteit van hun populatie. Het NIDI en CBS (2020) hebben in een bevolkingsprognose voor 2050 laten zien dat de bevolkingssamenstelling van Nederland mogelijk sterk zal veranderen van 4,2 miljoen inwoners met een migratieachtergrond in 2020 naar tussen de 5,3 en 8,4 miljoen in 2050. Ook de diversiteit van mensen met een migratieachtergrond wordt groter. De voor Nederland ‘klassieke’ migrantengroepen (mensen met een Indonesische, Surinaamse, Antilliaanse, Turkse of Marokkaanse achtergrond) vormen nu nog 40 procent van de bevolking met een migratieachtergrond, maar dit daalt tot een derde à een kwart. De helft of meer van de eerste of tweede generatie heeft in 2050 een arbeidsmigratieachtergrond. Dit zijn enerzijds migranten van binnen de EU, vaak afkomstig uit Polen, Bulgarije en Roemenië, maar ook uit landen daarbuiten, zoals China en India. Het aandeel mensen uit asiellanden in het Midden-Oosten en Afrika stijgt van 15 procent naar 20 of mogelijk 25 procent. Met de toenemende diversiteit van herkomstlanden, verblijfsduur en migratiemotieven is er sprake van ‘superdiversiteit’ (Vertovec, 2007).

Er bestaan grote verschillen in diversiteit van bevolkingssamenstelling tussen en binnen gemeenten. Waar sommige gemeenten weinig diversiteit kennen, zijn Amsterdam, Den Haag en Rotterdam ‘majority minority cities’ geworden: steden waar de groep inwoners zonder migratieachtergrond minder dan de helft van de bevolking uitmaakt. Ook kennen grote steden, voorsteden, expatgemeenten, provinciegemeenten, tuinbouwgemeenten en grensgemeenten verschillende typen diversiteit (Jennissen, Engbersen, Bokhorst & Bovens, 2018). Omdat deze gemeenten te maken krijgen met verschillende beleidsproblemen, bijvoorbeeld op het gebied van huisvesting, taal en discriminatie, zoeken zij handelingsperspectieven die passen bij de specifieke diversiteitsvraagstukken waarmee zij te maken krijgen (VNG & SZW, 2020).

Lees verder via tijdschriften.boombestuurskunde.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *